Het Parool, january 2003

En de zon brak door op een grijze middag

Verrast worden, daar draait het om in de jazz. Maar vaak kun je daar lang op wachten in de caf»s waar een combo speelt. Het repertoire komt veelal uit het Real Book, een verzameling bekende thema's, en bop is de gangbare stijl. De eerste verrassing, gistermiddag in Caf» en Zo aan de Bilderdijkstraat, was dat saxofonist Armando Cairo achter de drums zat. Met een kwartet speelde hij een set waarin ten minste »»n ongebruikelijk nummer zat. Dat was Serenade to a cuckoo van Roland Kirk, de surrealist van de bop die vaak drie saxofoons tegelijk bespeelde en daarbij soms ook nog een neusfluit tot klinken bracht. Op zijn platen hoor je soms brekend glas of, zoals in Cuckoo, een koekoeksklok. De klok ontbrak in de uitvoering door Cairo en de zijnen, maar het was aardig om even aan Kirk te worden herinnerd.

Daarna ging de sessie open voor wie mee wilde doen en dus ging ook het Real Book open. Monks Well, you needn't klonk zoals op zo'n middag te verwachten valt, tot een kleine man van een barkruk gleed en een tapdans deed. Ratelende schoenhakken, zware accenten met de binnenkant van de schoenen en gracieuze sprongen deden de gedachten uitgaan naar Gregory Hines, de beroemdste levende tapdanser. Toen hij weer rustig aan de bar zat, zei ik hem dat hij de Gregory Hines van Oud-West was. Dat deed hem genoegen, vooral omdat hij les van Hines had gehad. Declan Winstanley was zijn naam, een Ier die in Amsterdam werkt als psychiatrisch verpleegkundige.

Winstanley danste nog een solo in Autumn leaves en toen hij aan het slot daarvan terug danste naar zijn barkruk, liep vanuit de ingang opeens een trompettist naar de band. Spelend met »»n hand, zijn instrumentkoffertje in de andere hand en vanaf die allereerste noot wist je weer waar het over gaat in de jazz. Niet over het wat, maar het hoe. Elke noot strak en toch levend als een penseelstreek met een eigen handschrift, soms met kleine versieringen verrijkt en dan weer over elkaar buitelend in stralende figuurtjes. Alles tot in de kleinste nuances even helder als verrassend.

Wie was deze man die de zon liet doorbreken op een grijze middag?

Een kleine Draufgînger, die me deed denken aan Ischa Meijer. Een New-Yorker en een veteraan uit de orkesten van Ray Charles en Aretha Franklin, een door alle wateren gewassen kanon van een trompettist. Hard en schallend, maar ook in staat tot het subtielste. Iemand die op een volkomen vanzelfsprekende manier even de macht over kwam nemen en iedereen wat groter maakte dan hij eigenlijk was. Zijn entree was zo'n magisch moment waarop je oren gaan gloeien en voor je gevoel even de lengte krijgen van die van een haas. Kurt Weiss was de naam. Sinds anderhalf jaar woont hij in Nederland, waar hij aan de kost komt als muziekleraar en in caf»s zijn melodische lijnen laat dansen als de grafieken van onze verkiezingsprognoses.

Other reviews